Deze blog benadrukt Prof. Dr. Jim Heal dat evidence-informed werken niet alleen belangrijk is voor leraren, maar ook voor onderwijsleiders. Leiders nemen beslissingen over curriculum, beleid en schoolontwikkeling die direct invloed hebben op het leren van leerlingen. Daarom moeten zij begrijpen hoe leren werkt, zodat zij kritisch kunnen beoordelen welke initiatieven echt onderbouwd zijn en voorkomen dat tijd, geld en energie verloren gaan aan aanpakken zonder bewijs.
Ik heb het geluk gehad om in mijn werk veel onderwijsleiders te ontmoeten. In veel van die gesprekken keert één thema steeds terug, het best samen te vatten als: “Leiderschap is enorm betekenisvol, maar ze missen het lesgeven en het ‘in de ruimte zijn’ met leerlingen.”
Wanneer ik deze reflectie hoor, roept dat gemengde gevoelens bij me op. Aan de ene kant begrijp ik de behoefte om terug te keren naar de kern van onderwijzen en leren. Ik ken dat gevoel zelf ook, en blijf erbij dat het meest vervullende werk dat ik ooit heb gedaan dat van leraar voor de klas was. Aan de andere kant is het belangrijk om een vaak over het hoofd gezien, maar wezenlijk punt te benoemen: onderwijsleider zijn betekent niet dat je buiten het domein van onderwijzen en leren staat.
Stel je voor: je bent schoolleider in Oklahoma en krijgt de opdracht om het reken-wiskundecurriculum te herzien. De aanleiding voor de verandering is nieuwe wetgeving op staatsniveau, gevolgd door beleid op districtsniveau, waarin van scholen wordt verwacht dat zij procedurele rekenvaardigheden prioriteit geven en minder aandacht besteden aan het memoriseren van rekenfeiten. Je besluit dieper te graven en komt richtlijnen tegen van de National Council of Teachers of Mathematics, waarin staat dat basisfeiten moeten worden onderwezen via “getalrelaties en redeneerstrategieën, niet via memorisatie”.
Van daaruit ga je op zoek naar curriculummaterialen die aansluiten bij wat je begint te begrijpen over de rol van procedurele vaardigheden bij het ontwikkelen van rekenvaardigheid. Je vindt wat een uitstekende bron lijkt te zijn uit het curriculum Investigations in Numbers, Data, and Space. Je merkt op dat dit curriculum een constructivistische oriëntatie heeft, waarin leerlingen worden aangemoedigd om “hun eigen strategieën te ontwikkelen om problemen op te lossen”, in plaats van vaste methoden aangeleerd te krijgen.
Niet alleen lijken deze bronnen legitimiteit te bieden, je herinnert je ook een recente aflevering van de Math Therapy Podcast, waarin Peter Liljedahl, auteur van Building Thinking Classrooms, stelt dat we leerlingen “niet moeten leren memoriseren, maar moeten leren denken”.
Omdat je als schoolleider zorgvuldig onderzoek hebt gedaan, besluit je voortvarend door te pakken met schoolbreed beleid dat de rol van memorisatie binnen wiskunde minimaliseert en in plaats daarvan procedurele wiskundevaardigheden en het afleiden van antwoorden centraal stelt.
Hoewel dit klinkt als een grondig en rationeel proces om een nieuwe schoolbrede aanpak van onderwijzen en leren te toetsen, zijn er twee aspecten van deze mini-casus die aandacht verdienen:
In werkelijkheid zou een schoolleider met een stevig begrip van hoe leren werkt weten dat het onverstandig is om kostbare middelen aan zo’n programma te besteden. Zo’n begrip van leren omvat principes als automaticiteit: het idee dat effectieve oefening leerlingen helpt om taken uit te voeren zonder bewuste inspanning, waardoor beperkte werkgeheugencapaciteit vrijkomt voor hogere vormen van denken.
Wie begrijpt hoe het brein werkt, inclusief de beperkingen ervan, ziet meteen de problemen van een ‘procedures eerst’-benadering. Die kennis maakt duidelijk dat leerlingen die rekenfeiten moeten oproepen terwijl ze die tegelijk moeten toepassen, waarschijnlijk cognitief overbelast raken. Leerlingen die automaticiteit hebben ontwikkeld en rekenfeiten paraat hebben, houden juist mentale ruimte over om zich op het probleem zelf te richten. Stel je voor hoeveel geld en hoeveel uren bespaard hadden kunnen worden bij de invoering van zo’n curriculum, als iemand in de opeenvolgende keten van beslissingen de tekortkomingen ervan had kunnen herkennen.
De boodschap voor onderwijsleiders is helder:
Als we deze opdracht serieus nemen, moeten we ervoor zorgen dat meer dagelijkse beslissingen die het leven van leerlingen vormgeven, gebaseerd zijn op een robuust begrip van het brein en van hoe leren plaatsvindt. Dat vraagt dat we het belang van ‘onderwijs’ opnieuw centraal stellen in onderwijskundig leiderschap. Uiteindelijk is dat precies waarom we ooit voor dit vak hebben gekozen.
Meer leren over hoe je als schoolleider evidence informed kunt werken? Volg dan onze Master voor schoolleiders of een van onze herregistratieprogramma's of neem een kijkje op onze themapagina Onderwijskundig Leiderschap