Jaarlijks houdt De Staat van het Onderwijs het Nederlandse onderwijs een spiegel voor. In de versie van 2026 besteedt de Inspectie van het Onderwijs aandacht aan de groeiende rol van onderwijsassistenten en leraarondersteuners. En staat er een duidelijke boodschap: nu onderwijsondersteuners steeds vaker een structurele plaats in schoolteams innemen, is een onderwijskundige visie op hun inzet en takenpakket noodzakelijk. Onderwijsondersteuners zijn dus niet alleen extra capaciteit in de klas. Hun inzet beïnvloedt ook de manier waarop instructie, begeleiding, differentiatie en verantwoordelijkheden binnen een team worden georganiseerd. De vraag is daarom niet alleen welke taken een onderwijsondersteuner uitvoert, maar vooral hoe die taken bijdragen aan het leren van leerlingen. In deze blog onderzoeken we wat nodig is om hun inzet werkelijk bij te laten dragen aan onderwijskwaliteit.
Het aantal onderwijsondersteuners is de afgelopen jaren toegenomen. Volgens de Inspectie hebben de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs hieraan bijgedragen, met name in het primair onderwijs. Veel ondersteuners hebben inmiddels een vast contract en zullen naar verwachting structureel nodig blijven om het onderwijs mede vorm te geven.
De groei van deze beroepsgroep vraagt om meer dan een personeelsplanning. Scholen moeten onderwijskundige keuzes maken over de manier waarop verschillende professionals gezamenlijk bijdragen aan goed onderwijs.
Van Miltenburg, Van Zijtveld, Wisse en Van den Berg onderzochten in 2023 de inzet en loopbaanpaden van onderwijsassistenten en leraarondersteuners in het primair onderwijs. Zij constateerden dat het aantal ondersteuners sterk was gegroeid, terwijl er nog vragen bestonden over hun precieze bijdrage, positionering en loopbaanperspectief. Ondersteuners bleken een blijvende groep binnen het onderwijs te vormen, maar hun capaciteiten werden niet altijd volledig benut. Daarmee verschuift de discussie van “meer handen in de klas” naar vragen als:
Een onderwijskundige visie verbindt het personeelsvraagstuk dus met het curriculum, de didactiek, leerlingbegeleiding en kwaliteitszorg.
De Inspectie waarschuwt dat het ontbreken van een onderwijskundige visie kan leiden tot een ad-hoctakenpakket. Ondersteuners worden dan ingezet op basis van wat zich die dag aandient: een zieke collega, een onrustige groep, een leerling die extra hulp nodig heeft of organisatorische werkzaamheden die nog moeten gebeuren.
Van Miltenburg en collega’s beschrijven in hun onderzoek uit 2025 eveneens een grote diversiteit aan takenpakketten. Op sommige scholen worden onderwijsondersteuners gericht ingezet voor specifieke taken. Op veel andere scholen is hun inzet breed of komen er naast vaste taken allerlei ad-hoctaken bij. Afspraken over hun inzet worden bovendien niet altijd vastgelegd of nagekomen.
Een flexibele inzet hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Onderwijs vraagt immers voortdurend om aanpassing. Het wordt wel problematisch wanneer de inzet niet meer te herleiden is tot onderwijsdoelen, bekwaamheden en heldere verantwoordelijkheden. Dan kunnen verschillende risico’s ontstaan:
De Inspectie noemt expliciet het risico op oneigenlijke inzet als leraar. Dat kan niet alleen leiden tot frustratie, maar ook tot onduidelijkheid over de pedagogische en didactische verantwoordelijkheid.
De meerwaarde van onderwijsondersteuners ontstaat niet automatisch door hun aanwezigheid. Zij is afhankelijk van de kwaliteit van de activiteiten die zij uitvoeren en de manier waarop deze aansluiten op het onderwijs van de leraar.
De Inspectie beschrijft dat onderwijsassistenten in het primair onderwijs vooral worden ingezet voor intensieve en gerichte begeleiding van kleine groepen en voor leerlingen met leer- en gedragsproblemen. In het voortgezet onderwijs begeleiden zij onder meer leerlingen bij huiswerk en praktijkopdrachten. Met een doelgerichte inzet kunnen zij bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs, de werkdruk van leraren verminderen en een sterke band met leerlingen opbouwen. Het is daarbij wat ons betreft vanzelfsprekend dat ondersteuning niet los komt te staan van de klassikale instructie.
Een goede samenwerking tussen leraar en onderwijsondersteuner berust op meer dan een prettige collegiale relatie. Er moet sprake zijn van inhoudelijke afstemming.
Wie bepaalt de leerdoelen? Wie bereidt de instructie voor? Welke leerlingen krijgen extra ondersteuning en waarom? Welke aanpak wordt gebruikt? Welke signalen rapporteert de ondersteuner terug? En op welk moment wordt beoordeeld of de interventie effect heeft?
Wanneer dergelijke afspraken ontbreken, kan ondersteuning vooral reactief worden. De ondersteuner helpt individuele leerlingen zodra zij vastlopen, zonder dat duidelijk is waardoor het probleem ontstaat of hoe de hulp samenhangt met het verdere onderwijsprogramma.
Een gedeelde visie maakt het mogelijk om ondersteuning preventiever en doelgerichter in te richten. De leraar blijft verantwoordelijk voor het onderwijsleerproces, terwijl de ondersteuner vanuit een helder afgebakende rol bijdraagt aan instructie, inoefening, observatie en begeleiding.
Een opvallende bevinding is dat veel schoolleiders niet bekend zijn met onderzoek naar de effectieve inzet van onderwijsondersteunend personeel. Volgens Van Miltenburg en collega’s geldt dit voor 74 procent van de bevraagde schoolleiders in het primair onderwijs en 87 procent in het voortgezet onderwijs. Dat is relevant, omdat schoolleiders een belangrijke rol hebben bij het verbinden van onderwijskundig beleid en personeelsbeleid.
Een visie op ondersteuners kan daarom niet uitsluitend bestaan uit een functiebeschrijving. Zij moet onderdeel zijn van een bredere visie op goed onderwijs en professioneel samenwerken.
Onderwijsondersteuners zijn volgens het onderzoek van Van Miltenburg en collega’s over het algemeen tevreden over hun baan. Zij waarderen de diversiteit van het werk en de band die zij met leerlingen opbouwen. Tegelijkertijd willen veel ondersteuners zich verder ontwikkelen, bijvoorbeeld door zich te specialiseren in een bepaalde leerlinggroep, hun didactische repertoire uit te breiden of een breder takenpakket op zich te nemen.
Toch is het voor ondersteuners en schoolleiders niet altijd duidelijk welke professionaliseringsmogelijkheden en ontwikkelpaden beschikbaar zijn. De Inspectie pleit daarom voor het in kaart brengen van het professionaliseringsaanbod en voor strategisch personeelsbeleid waarin de expertise van ondersteuners doelgericht wordt ontwikkeld en benut.
Professionalisering is daarbij geen individueel traject dat losstaat van de school. Zij krijgt pas betekenis wanneer de ontwikkelde expertise ook een plaats krijgt in het onderwijsconcept en de taakverdeling.
Een opleiding zou daarom verbonden moeten worden aan vragen als:
Voor onderwijsassistenten en leraarondersteuners die zich verder willen ontwikkelen in het begeleiden van leerprocessen kan de Associate degree Didactisch Educatief Professional, de Ad DEP, een passend ontwikkelpad zijn. De Ad DEP richt zich nadrukkelijk op het didactisch handelen. Studenten ontwikkelen kennis en vaardigheden op het gebied van onder meer instructie, differentiatie, basisvaardigheden, begeleiding en het onderbouwd verbeteren van leerprocessen. Daarmee kan de opleiding bijdragen aan een professionelere inzet van ondersteuners. Een didactisch educatief professional kan bijvoorbeeld:
De bevoegde leraar blijft daarbij verantwoordelijk voor het onderwijs en de ontwikkeling van de leerlingen. Juist een heldere afbakening maakt samenwerking mogelijk en voorkomt dat professionalisering ongemerkt leidt tot oneigenlijke vervanging van leraren.
In De Staat van het Onderwijs 2026 noemt de Inspectie ook de groei van de instroom in de Ad PEP. In 2024 stonden volgens het rapport 179 studenten bij deze opleiding ingeschreven. De Ad PEP en de Ad DEP zijn beide Associate degrees, maar kennen een ander inhoudelijk accent. De Ad PEP richt zich in algemene zin sterker op pedagogische begeleiding, sociaal-emotionele ontwikkeling en het pedagogische klimaat. De Ad DEP legt meer nadruk op didactiek, instructie, differentiatie en het begeleiden van leerprocessen.
De keuze tussen beide opleidingen moet daarom niet uitsluitend afhangen van de voorkeur van een individuele medewerker. Ook de onderwijskundige visie en expertisebehoefte van de school zijn van belang.
Heeft de school vooral behoefte aan versterking van pedagogische begeleiding en welzijn? Of is er behoefte aan professionals die onder verantwoordelijkheid van een leraar kunnen bijdragen aan instructie, oefening en differentiatie?
In ons eerdere artikel over het verschil tussen de Ad DEP en de Ad PEP gaan we uitgebreider op die vraag in. En wil je meer lezen over de inhoud van de opleiding. Klik dan hieronder en lees er meer over
De groei van het aantal onderwijsondersteuners biedt scholen dus kansen. Leerlingen kunnen meer gerichte aandacht krijgen, leraren kunnen beter differentiëren en teams kunnen beschikken over een bredere combinatie van kennis en ervaring. Maar die opbrengsten ontstaan niet vanzelf. De centrale boodschap van de Inspectie en de onderzoeken van Van Miltenburg en collega’s is dat scholen hun onderwijsondersteuners doelgericht moeten positioneren. Dat vraagt om een samenhangende visie op:
De vraag is dus niet alleen: hoe kunnen we onderwijsondersteuners inzetten?
Maar
Welke bijdrage willen we dat zij leveren aan het leren van leerlingen, en wat is ervoor nodig om die bijdrage professioneel en duurzaam vorm te geven?
Inspectie van het Onderwijs. (2026). De Staat van het Onderwijs 2026
Van Miltenburg, N., Van Zijtveld, S., Wisse, R., & Van den Berg, D. (2023). De inzet en loopbaanpaden van onderwijsassistenten en leraarondersteuners: een verkenning van het Arbeidsmarktplatform PO. Arbeidsmarktplatform PO.
Van Miltenburg, N., Van Hassel, D., De Rooij, H., Wartenbergh, F., Bendig, J., Van Giesen, R., & Oudejans, M. (2025). Effectieve inzet van onderwijsondersteunend personeel in basis- en voortgezet onderwijs. CAOP, Centerdata en MOOZ Onderzoek.